Over Stilte en Stemmen

Over Stilte & Stemmen

Zes maanden en achtentwintig dagen. Zolang was het nu al. ‘Bijna zeven maanden,’ zei de vrouw. ‘Straks acht. Dan negen. Tien maanden. En voor je het weet…’
‘Ja ja,’ zei de man. ‘Ik weet het. Dit zeg je elke keer.’ Hij zuchtte licht. ‘De afgelopen dagen riep je ook al een paar keer verbijsterd dat de eerste maand van het nieuwe jaar alweer voorbij was.’
‘Het is ook shocking,’ vond de vrouw. ‘Alles gaat veel te snel.’
‘Dat heet tijd,’ zei de man. ‘Daar waarschuwde ik je al jaren voor.’
Ze zwegen even. ‘Weet je wat ik nou zo gek vind?’ zei de vrouw.
‘Nou?’
‘Dat alles gewoon doorgaat,’ zei de vrouw. ‘Er is zoveel gebeurd. En toch… niemand trekt aan de noodrem.’
‘Die heeft nooit bestaan.’

Er viel weer een stilte. ‘Ik had trouwens laatst iets heel raars,’ zei ze toen.
‘Vertel,’ zei de man. ‘Als het maar niet is dat je wéér zonder sleutels bent vertrokken.’
‘Nee,’ zei de vrouw. ‘Het was in de auto.’
De man werd onmiddellijk alert. ‘Wat heb je gedaan?’
‘Ik reed,’ zei de vrouw. ‘En ik hoorde dat de motor heel nerveus klonk.’
‘Dat is zelden een goed teken.’
‘Hij klonk echt heel hysterisch,’ vervolgde ze, ‘en als ik harder dan tachtig reed, zat ik bijna in het rode gedeelte van de toerenteller.’
De man kreunde. ‘Ik voel hem al aankomen.’
‘Toen bleek dat ik al meer dan honderd kilometer in de verkeerde versnelling reed.’
Het bleef even stil. ‘Je auto heeft dus honderd kilometer lang tegen je geschreeuwd,’ zei de man uiteindelijk.
‘Ja,’ zei de vrouw. ‘Maar ik luisterde niet echt.’
‘Nee,’ zei de man. ‘Dat doe je wel vaker. Trouwens,’ zei hij, alsof hij besloot het hier maar bij te laten, ‘ik zag dat de AOW-leeftijd misschien weer omhoog gaat. Vooral de mensen uit ’97 en ’98 zijn spekkoper. Die mogen stoppen met werken als ze bijna tweeënzeventig zijn.’
‘Ja,’ zei de vrouw. ‘Ik las het ook.’
‘Wat een mazzel,’ zei de man. ‘Tegen die tijd is er geen werk meer en toch moet iedereen maar door. Doorwerken tot aan het graf. Goeie God, wat een land is het toch geworden.’
‘Leuk dat je het allemaal nog bijhoudt,’ zei de vrouw.
‘Je weet dat ik me altijd mateloos heb opgewonden over de pensioenroof en alles wat met onze pensioenen te maken heeft,’ zei de man. ‘Waarom zou dat stoppen nu ik hier zit?’
De vrouw lachte.
Toen werd ze stil.
‘Ik kan jullie allemaal soms zo ontzettend missen,’ zei ze. ‘Zo ontzettend.’
Ze keek voor zich uit. ‘Het gebeurt nog steeds vaak dat ik ’s avonds mijn moeder even wil bellen. Of even naar mijn vader toe wil rijden. Soms hoor ik iets op de radio en denk ik: dit had ik naar mijn broer door willen sturen. Jouw aangebroken fles cognac staat er nog altijd. Alsof je zo terug kunt komen om hem op te maken.’

Ze slikte. ‘In mijn hoofd zijn jullie er allemaal nog. Niet als herinnering, maar gewoon aanwezig. Alsof ik elk moment iets tegen jullie kan zeggen. En toch zal ik jullie, hoe oud ik ook word, nooit meer spreken.’
‘We spreken elkaar nu toch ook?’ zei de man.
‘Ja,’ zei de vrouw. ‘Maar het is anders en misschien komt er een dag dat…’
Ze maakte haar zin niet af.
‘Hé,’ zei de man. ‘Ga je weer alvast een voorschot nemen op de toekomst? Zinloos. Dat zie je dan wel weer.’
Ze glimlachte flauwtjes. ‘Weet je wat ik wel fijn vind?’ zei ze na een tijdje.
‘Nou?’
‘Dat de dagen weer lengen.’
‘Zie je wel,’ zei de man. ‘De wereld werkt toch nog een beetje mee. Zit je eigenlijk nog vaak onder die blauwe lamp?’
‘Minder,’ zei de vrouw. ‘Ik merk dat het helpt dat het weer lichter wordt.’
‘Goed zo,’ zei de man.
De vrouw keek naar buiten, waar de schemer net iets later viel dan een paar weken geleden.
‘Bijna zeven maanden,’ zei de vrouw.
‘Ja,’ zei de man. ‘En de auto doet het nog. Wonder boven wonder.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Archieven

Website laten maken?

De Rebelse Huisvrouw