Zolang je blijft denken is er niks aan de hand!
Over Kalk & Tijd
‘Ziezo,’ zei de man. ‘Ik stel voor dat je nu ophoudt met tellen. Het eerste jaar zit erop. Het is mooi geweest. Je kunt onmogelijk de rest van je leven blijven turven. Dat zou idioot zijn.’
De vrouw glimlachte.
‘Ik ga het proberen.’
Ze zat op het gietijzeren bankje naast het huis, een bankje dat ze nog niet zo lang daarvoor samen hadden gekocht, en keek voor zich uit.
‘Waar denk je aan?’ vroeg de man.
‘Aan jou,’ zei ze. ‘Aan wanneer het allemaal begonnen is.’
‘Daar komen we nooit achter,’ zei de man. ‘Maar ik weet nog wel wanneer ik begon te vermoeden dat er iets niet klopte. Ik zocht steeds vaker naar woorden. Namen schoten me niet meer te binnen, en op een dag herkende ik sommige gezichten niet eens meer. In het begin lachte ik het weg, daarna hoopte ik dat het vanzelf over zou gaan, maar er kwam een moment dat ik wist: dit blijft. Dit gaat niet over, dit gaat verder.’
‘We hebben het er nooit echt over gehad,’ zei de vrouw. ‘Pas helemaal op het eind. Al die jaren daarvoor deed je alsof er niets aan de hand was, terwijl ik vaak dacht: er ís iets aan de hand. Waarom vertelde je het me niet?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet omdat ik de held wilde uithangen. Meer omdat ik zolang mogelijk nog de man wilde zijn die ’s morgens thee voor je zette. Die het gras maaide. Die overal een oplossing voor had. Ik wilde nog geen patiënt zijn.’ Hij keek haar aan. ‘Weet je nog dat ik altijd zei: “Ik drink die gifbeker niet leeg”? Jij dacht dat ik stoer deed.’ Hij glimlachte. ‘Was ook wel een béétje zo. Maar het was vooral het enige waar ik nog over kon beslissen. Een verdwijnende geest houd je niet tegen. Je kunt alleen nog kiezen wanneer je stopt met verdwijnen.’
Hier zweeg hij even. ‘Ik heb die laatste ochtend het bed opgemaakt,’ zei hij toen.
‘Dat weet ik.’
‘Jij vond het onzin.’
‘Vind ik nog steeds.’
‘Ik niet. Je laat een huis niet rommelig achter als je weggaat. Ook niet als je voorgoed weggaat.’
Hij keek even langs haar heen, alsof hij het weer voor zich zag. ‘Ik zette koffie voor mezelf. Thee voor jou. Zoals altijd. Ik keek naar het ochtendjournaal alsof het een gewone dinsdag was.’
Hij lachte zacht. ‘En eigenlijk was het dat ook. Tot het dat niet meer was. Daarna zaten we samen op de bank. Jij met je hoofd tegen mijn hals. Ik dacht: dit is misschien wel het rijkste moment van mijn leven. En ook het laatste.’ Hij haalde diep adem. ‘Grappig eigenlijk, dat twee dingen tegelijk waar kunnen zijn.’
Hij keek weer voor zich uit. ‘Wat ik zag in die laatste minuten was geen tunnel. Geen licht. Geen engelen. Ik zag een keukentafel waar we bijna dertig jaar lang de wereld hebben verbeterd. Ik zag je in de tuin rommelen. Ik zag de kinderen. Ik zag jouw hand.’
De man zweeg. De vrouw ook. In de verte hoorde ze hoge kinderstemmetjes. Ze glimlachte melancholiek en dacht aan de schommel die ooit achter in de tuin had gestaan. Aan het opblaasbadje, aan pa op de steiger, aan natte handdoeken over de tuinstoelen.
‘Gooi in het najaar eens wat kalk op het gras,’ zei de man. ‘Je hebt veel te veel mos in die tuin.’
‘Het is groen, daar gaat het om,’ zei de vrouw schouderophalend.
De man schudde zijn hoofd. ‘Ik weet zeker dat ik me vroeger over zo’n antwoord had opgewonden. Nu vraag ik me af waarom ik dacht dat het belangrijk was.’
Hij keek de tuin in. De zon zakte langzaam achter de bomen. De kinderstemmetjes verstomden. Ergens in huis begon haar mobieltje te rinkelen.
‘Neem nou op,’ zei de man. ‘Misschien is het de dochter wel. Ik ga nergens heen.’
De vrouw glimlachte. ‘Beloofd?’
‘Beloofd,’ zei hij. ‘Ik heb alle tijd.’

Eén reactie
“Ik dacht: dit is misschien wel het rijkste moment van mijn leven. En ook het laatste.”
Die zin deed me denken aan wat mijn beste vriend ooit tegen me zei. Hij was ongeneeslijk ziek en hij zei dat dit de mooiste tijd van zijn leven was. Intens, groots, rijk. Heel bijzonder.
Je blogs ontroeren me altijd. Ook zo intens. En zo echt.
Veel liefs!