Zolang je blijft denken is er niks aan de hand!
Over Schoenen en Hommels
Tien maanden en twintig dagen. Zolang was de man nu al weg. ‘Het is bijna een jaar,’ zei de vrouw terwijl ze de was buiten ophing. ‘Ik kan me gewoon niet indenken dat ik je een jaar geleden om deze tijd nog had. Dat we naar de boot gingen om koffie te drinken. Dat jij vorig jaar rond deze tijd nog gewoon je sudoku’s maakte.’ Hier zweeg ze even. ‘Het is trouwens vandaag precies een jaar geleden dat je je laatste aanval kreeg. Ik heb er veel aan gedacht vandaag. Ik stond in de keuken en maakte tomatensoep, weet je nog? Jij zat op de stoel in het hoekje. Toen ging het mis.’
De man knikte. ‘Ik weet het nog. Je kwam bij me zitten en pakte m’n hand, je zei lieve dingen en probeerde me terug te halen, maar het lukte me niet.’
De vrouw kreeg een brok in haar keel bij de gedachte aan die middag. ‘Vanaf die dag ging je nog sneller achteruit.’
‘Dat kun je wel stellen,’ beaamde de man.
Even viel er een stilte. Het was geen vervelende stilte. Het was een vertrouwde stilte, zoals alles tussen hen vertrouwd was. Toen zei de man: ‘Je hebt het gras netjes gemaaid zie ik.’
‘Ja hè,’ zei de vrouw. ‘Ik moet nog aan die heg beginnen, maar dat ga ik niet alleen doen.’
Nu grinnikte de man. ‘Dat kán je niet eens alleen doen. Veel te lastig, veel te veel werk.’
De lakens bewogen zachtjes in de wind. ‘Je was trouwens laatst in Bulgarije,’ zei de man toen. ‘Ik ben zo blij dat je weer dingen doet. Dat je weggaat. Nieuwe plekken ziet. Leuke mensen ontmoet.’
De vrouw hing een handdoek over de lijn en trok hem strak. ‘Dat had ik zelf ook niet meer gedacht eigenlijk,’ zei ze zacht. ‘Vorig jaar – en de jaren daarvoor – bestond mijn leven voornamelijk uit zorgen voor mijn twee mannen. Boodschappen doen voor pa. Pillendoosjes vullen. Ziekenhuisbezoekjes. Huisartsenposten.’
‘En nu vlieg je ineens naar Bulgarije.’
‘Ja,’ glimlachte ze.
Ze liep met de lege wasmand weer naar binnen. In de hal bleef ze een paar tellen staan. Het huis was stiller dan vroeger, maar het voelde niet meer zo leeg. Boven stond zijn tandenborstel nog altijd op dezelfde plek in de badkamer. Daarnaast het scheerapparaat, de kam, de tandpasta. Alles stond er nog alsof hij elk moment binnen kon lopen en op de een of andere manier kon ze het nog niet veranderen.
‘Ik heb de auto gewassen,’ vertelde ze. ‘En een paar lampjes deden het niet meer. Dus ik ben naar Wibo gegaan.’
‘De laatste keer gingen wij daar samen heen,’ zei hij zacht.
‘Ja.’ Ze keek naar buiten. ‘Dat besef je pas achteraf hè? Dat iets de laatste keer was.’
Na Wibo was ze even gestopt bij Albert Heijn. Ze hadden appeltaart in de aanbieding.
‘Als jij hier nog was geweest had ik er eentje voor je meegenomen.’
‘Wat was ik gek op appeltaart.’
‘En op de appelflappen van de Plus.’
‘Die waren lekker ja. Ik at er op een gegeven moment wel drie per dag.’
‘Ja,’ glimlachte de vrouw. ‘Vooral die laatste week. Toen gezond eten niet zo belangrijk meer was.’
‘Toen had ik er wel tien per dag kunnen eten.’
Ze schoten allebei in de lach en even voelde het alsof hij gewoon aan tafel zat.
‘Ik heb trouwens één advies van je níét opgevolgd,’ zei ze.
‘Dat zijn we gewend van je.’
‘Je kleren heb ik niet opgeruimd. Alles hangt nog gewoon in de kast.’
De man keek haar even aan.
‘Tja,’ zei hij toen. ‘Enfin… zolang het je niet in de weg zit. Maar waarom zou je alles bewaren?’
‘Omdat het jouw spullen zijn. Die nieuwe schoenen heb ik ook nog. Ze staan nog steeds in de doos. Ongedragen.’
Terwijl ze het zei dacht de vrouw: wonderlijk eigenlijk, dat er ooit een leven was waarin nieuwe schoenen kopen iets normaals was. Waarin je gewoon dingen kocht voor later. Een nieuwe winterjas. Een apparaat dat nog jaren mee moest. Schoenen die nog ingelopen moesten worden. Alsof er altijd nog later was.
Er vloog een hommel naar binnen. Het was de eerste lente zonder de man. Ze herinnerde zich hoe hij altijd glimlachte als de eerste hommels weer verschenen.
Haar blik volgde de hommel terwijl ze de kamer rondkeek – naar zijn stoel, naar het tafeltje waar zijn bril nog lag. De planten moesten water hebben, er moest nog een was worden gedaan en het gras groeide gewoon door alsof er niets gebeurd was. Ze keek naar het gewone leven dat ondanks alles verder was gegaan.
En het gekke was: voor een paar minuten voelde dat helemaal niet verkeerd.
