Zolang je blijft denken is er niks aan de hand!
Over Herfst & Soep
De herfst kwam eraan. De tweede herfst zonder de man. Twee jaar geleden om deze tijd verhuisden we pa naar Franeker, realiseerde de vrouw zich terwijl ze het gras maaide. En in diezelfde periode ging het met de man niet al te best. Hoewel, bedacht ze, hij toen nog wel een keer het gras had gemaaid. Ze had er zelfs een foto van gemaakt. Terwijl ze die foto maakte, had ze zich opeens vreemd melancholiek gevoeld. Raar hoe dingen later ineens een betekenis krijgen.
Tot haar vreugde zag ze dat het gras weer groener begon te worden. ‘Dat komt door de regen van de afgelopen weken’, zou de man zeggen. ‘Dat ligt niet aan jouw goede zorgen, laat me dat vooropstellen.’ Ze glimlachte en borg de maaimachine op.
Binnen ging ze weer aan het werk. Ze was bezig met twee websites en een boek, en vooral de opmaak van het boek kostte nogal wat tijd. Tegen enen bakte ze twee eieren. Ze at staand aan het aanrecht, ruimde de vaatwasser uit en zette een was aan. Daarna liep ze naar boven om een vest uit de kast te halen. Een kwartier later kwam ze weer beneden met een stapeltje spullen waar ze helemaal niet voor naar boven was gegaan. Waarvoor ze wél naar boven was gegaan, wist ze niet meer. Dat baarde haar grote zorgen. Ze had het proces van Alzheimer van dichtbij meegemaakt en soms was ze bang dat…
‘O God’, kreunde de man. ‘Wordt de hypochonder in je weer wakker?’
‘Ik dacht dat je niks meer zou zeggen’, zei de vrouw.
‘Dat was het plan, ja. Maar af en toe betrap ik je op hemeltergende idioterie en dan móét ik even wat zeggen. Nu ga ik weer. Ben druk bezig.’
‘Waarmee dan?’
Er kwam geen antwoord.
‘Wacht!’ zei ze.
Maar hij reageerde niet meer.
Ze ging weer naar boven. Dit keer gewapend met een vuilniszak. Ze was voorzichtig begonnen met opruimen en had besloten dat een paar hemden van de man naar de kringloop konden.
Dat mocht nu wel, vond ze. Ze bleef voor de kast staan.
Ja. Dat mocht.
Ze haalde er een paar uit de kast en legde ze op bed.
‘Mij droeg hij die ene keer dat je zo onaardig deed, weet je nog?’ zei het lichtgele overhemd. ‘Dat was die keer dat -’
Vlug vouwde ze het op en legde het onderaan de stapel die er al stond. Daar hoefden ze het niet meer over te hebben.
‘Mij droeg hij toen jullie tien jaar getrouwd waren’, zei het lichtblauwe overhemd.
Die avond kon ze zich nog goed herinneren. Ze hadden enorm gelachen, ze wist niet eens meer precies waarom. Waarschijnlijk nergens om. Ze pakte het overhemd weer op en hing het terug in de kast.
‘Jij blijft.’
Daarna bekeek ze de rest van de stapel en hing nog drie hemden terug. Zo schoot het natuurlijk niet op.
’s Middags werkte ze verder. Er kwam een telefoontje tussendoor, ze beantwoordde wat mails, schoof met foto’s, veranderde een lettertype, veranderde het weer terug en ging tegen vieren even een kopje koffie drinken bij de boot. De man vond het heerlijk om daar even naartoe te gaan. Hij nam altijd koffie met appelgebak en een flinke dot slagroom, hij kon daar ontzettend van genieten. De vrouw had dat vertederend gevonden. Eenmaal thuis zette ze muziek aan en maakte pindasoep. Morgen zou ze bezoek krijgen en de soep was de volgende dag altijd lekkerder.
‘Jij zou ook gesmuld hebben’, zei ze tegen de man. ‘Je vond het meeste van wat ik maakte niet spectaculair, maar de pindasoep vond je heerlijk.’
Ze roerde in de pan. De man zei niks.
Toen het begon te schemeren liep ze nog even naar buiten. Het wordt steeds vroeger donker, dacht ze. Ze keek naar het pas gemaaide gras.
Twee jaar geleden was alles anders.
Een jaar geleden ook.
Volgend jaar waarschijnlijk weer.
