Over overhemden en gisteren

Over overhemden en gisteren

Zes maanden. Zesentwintig weken en twee dagen. Zo lang was het nu dat de man er niet meer was. De vrouw had hem achtergelaten in 2025 en zelf was ze een nieuw jaar ingestapt, zonder hem. Het bleef een wonderlijk idee dat hij ergens in de tijd was achtergebleven terwijl zij doorliep, alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.

‘Het voelt raar dat je achtergebleven bent in 2025,’ zei ze. ‘Ik begrijp het soms nog steeds niet. Het is nu een half jaar – een half jaar nota bene – en toch voelt het alsof het gisteren was.’
De man knikte bedachtzaam. ‘Snel gegaan hè, die maanden? Het hele leven gaat godsgruwelijk snel. Het is niet voor niets dat ik zo vaak tegen je zei: geniet ervan, maak er wat van. Voor je het weet ben je waar ik nu ben.’
‘Is dat zo erg dan?’ vroeg de vrouw.
‘Beslist niet,’ zei de man. ‘Maar je hoeft er ook weer niet op af te rennen. Het is geen wedstrijd. Zie het maar als oversteken. Je weet dat je naar de overkant moet, maar je rent niet als een kip zonder kop de weg over. Je kijkt, je wacht en pas op het juiste moment ga je.’

Hij keek haar aan. ‘Hoe waren de kerstdagen?’
‘Ik was bij jouw kinderen,’ zei de vrouw. ‘En bij mijn ex en zijn gezinnetje.’
‘Gezellig,’ zei de man.
‘Oud en nieuw was ik bij vrienden in Apeldoorn. Dat was fijn. Daarna zijn we een paar dagen naar Maastricht geweest.’
‘Ik ben daar nooit geweest,’ zei de man.
‘Dat weet ik,’ zei de vrouw. ‘Ik heb het wel eens voorgesteld, maar jij had altijd een reden om dicht bij huis te blijven.’

Achteraf begreep ze waarom. Het was zijn manier geweest om overzicht te houden, om het bekende niet los te laten. Zonder dat ze het doorhad was de man al verder van haar afgeraakt dan ze besefte. Hij was langzaam in een schemergebied terechtgekomen en in zijn hoofd begon van alles te verschuiven.

‘Wanneer ben je eigenlijk weggegaan?’ vroeg ze. ‘Wanneer is het begonnen? Ik weet nog dat je moeite kreeg met links en rechts. Was het toen al aan de gang?’
De man dacht na. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Ik weet alleen dat ik me op een gegeven moment vaag bewust werd van het verdwijnen van iets. Alsof een bepaalde scherpte langzaam weggleed. Zoals een mes dat bot wordt.’

Soms keek ze in zijn badkamerkastje. Alles was nog precies zoals het altijd was. De twee volle flesjes shampoo die hij de maand voor zijn overlijden in de aanbieding had gekocht stonden er nog, net als al die andere spullen die hij gebruikte en die, vreemd genoeg, nog steeds van hem waren.

Die middag had ze zijn kledingkast voor het eerst echt bekeken. De vertrouwde kledingstukken hingen er allemaal nog, zijn hemden, broeken. ‘Het blijft een raar idee,’ zei ze, ‘dat je al die dingen nooit meer zult aantrekken.’
‘Dat gestreepte overhemd mag wel weg,’ zei de man, maar ze luisterde nauwelijks naar hem. Ze dacht aan de afgelopen jaren. Aan de Alzheimer, de tia’s, de epilepsie die langzaam vat hadden gekregen op zijn brein. ‘Dat van die tia’s en die epilepsie wisten we, maar toen er ook nog eens Alzheimer bij kwam werd het wel veel hè? God, wat had ik je dit graag willen besparen.’
‘We gaan uiteindelijk allemaal ergens aan dood,’ zei de man opgewekt. ‘Er zijn ergere manieren om te gaan, geloof me.’

De vrouw bleef nog even staan bij de kast. Ze streek met haar hand over een overhemd, alsof ze daarmee iets kon terughalen dat niet terug te halen was. Ze herinnerde zich hoe hij het droeg, achteloos, met opgerolde mouwen.
Even glimlachte ze melancholiek.
Toen deed ze de kast dicht.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Archieven

Website laten maken?

De Rebelse Huisvrouw