Onderweg naar ergens

Onderweg naar ergens

Gangen. Overal gangen. Ze keek achterom. Daar waren er nog meer. Links gangen. Rechts gangen. Voor haar splitste een gang zich in drieën. Ze had geen idee waar ze was. Het laatste dat ze zich herinnerde was dat ze naar bed was gegaan en nu dit. Ze had het vreemde gevoel dat ze ergens naartoe moest, maar waarheen wist ze niet. Ze liep de eerste gang in. Meteen kreeg ze heimwee.
Laura zat in een hoek op een omgekeerde emmer haar haren te kammen. Laura. De pop keek op.
Je bent laat, zei ze.
Ben ik laat?
Ik wacht al vijftig jaar.
Ze hurkte bij haar neer. Eén oog wilde niet helemaal meer dicht. Ze wilde iets zeggen over de amandelboom, maar er kwam een plastic lammetje op zijn rug voorbijzweven.
Dit waren we, toen, ooit, mekkerde het.
Daarna verdween het om de hoek. Het houten naaimandje van haar tante uit België begon te grinniken.
Wat?
Dat doet-ie altijd, zei het naaimandje.

Verderop zat de grote gele hond die haar vader lang geleden op de kermis in Zaandam had gewonnen. Zijn vacht was kaal bij zijn buik en één oor hing naar voren. Ze stak haar hand uit. Ergens begon een platenspeler te draaien. Eerst hoorde ze alleen gekraak. Toen haar vader. Niet doen. Ze trok haar hand terug.

Nu stond ze ineens in de slaapkamer van haar ouders. Onder het bed lag het jachtgeweer. Dat lag daar vroeger ook. Ze trok het naar zich toe. Het geweer opende één oog.
Sssst.
Sorry.
Ze schoof het terug.
De slaapkamer werd warm. De tegels onder haar voeten waren vochtig. Uit het plafond groeiden bladeren. Een tjitjak schoot over de muur.
Walter! riep iemand.
Walter stak zijn hoofd door de muur.
Wat?
Niks.
Oké.
Hij trok zijn hoofd terug.

Uit een gang kwam haar moeder met een schaal eten. Uit een andere kwam haar moeder, maar jonger. Uit een derde kwam alleen haar jurk.
Dag, zei de jurk.
Dag mam.

De piano van haar moeder draafde er op vier dunne pootjes achteraan. Hij boog. Zij boog terug. Toen holde hij verder.
Walter kwam voorbij met een Fernandesbrood onder zijn arm, ze herkende de gele zak.
Wat doe jij nou steeds hier?
Ik woon hier, zei Walter.
Dat zei je vroeger ook altijd.
Klopt.

Een oude vrouw zwaaide naar haar.
Wie bent u?
Jij.
O.

Ze besloot een andere gang te proberen. Die was roze. De muren waren roze. De vloer was roze. Zelfs Laura’s kam was roze. Verschrikkelijk. Toch wilde ze hier blijven.
Langs de muur stonden boeken die ze had gelezen en boeken die ze nog ging lezen. Eén boek draaide zich om.
Hé, zei het.
Ken ik jou?
Ik jou wel.
En? vroeg ze.
Buitengewoon langdradig.

Een paar gangen verder zat haar man aan tafel.
Ben je daar eindelijk?
Kennelijk.
Thee?
Graag.
Hij schonk in. Ze nam het kopje met twee handen vast. Het was precies goed.
Toen kwam dat gevoel terug. Ik moet verder, zei ze.
Weet ik.
Ze zette haar thee neer.
Jammer.
Ja.

Verderop werden de gangen smaller. Er kwam een zacht geritsel uit de muren.
Blijf.
Ze liep door.
Blijf nou.

Achter haar hoorde ze iets hijgen. De gele hond. Daarachter kwam de piano aanrennen. Het naaimandje hobbelde erachteraan. Laura zat op de groene dekenkist uit Walters kamer en zwaaide. De jurk van haar moeder kwam voorbijfladderen. Er rook iets naar roti. Iemand kuste haar wang. Ze voelde de handen van haar vader even op haar schouders. Ze draaide zich om, maar zag hem niet. De gangen begonnen te kronkelen. Ze schoven over en onder elkaar als wormen in natte aarde. Stemmen kwamen uit de muren. Iemand lachte. Iemand huilde. Haar moeder riep iets wat ze niet verstond. Laura schreeuwde haar naam. De piano rende voorbij. Het jachtgeweer kwam achter hem aan.
Toen werd het stil.
Voor haar lag een gang die er daarnet nog niet was.
Ga terug, zei het labyrint.
Waarom?
Geen antwoord.
Ze zette één stap naar voren.
Niet doen.
Waarom niet?
Omdat we niet mee kunnen.
Ze keek de gang in. Aan het einde was geen deur. Alleen een deurklink.
Ze liep ernaartoe.
Achter haar begonnen de stemmen weer. Eerst Laura. Toen haar moeder. Haar vader. Haar man. Walter. De gele hond kwam naast haar zitten. Het naaimandje zat op zijn rug.
Waar ga je naartoe? vroeg de hond.
Ze legde haar hand op zijn kop. Zijn vacht voelde nog precies hetzelfde.
Waar ga je heen?
Ze keek naar de deurklink.
Naar ergens.
De hond knikte alsof dat een heel normaal antwoord was.
Achter haar riep iemand haar naam. Toen nog iemand. En nog iemand.
Ze keek om. Haar moeder stond daar. Niet haar jurk deze keer. Haar moeder zelf. Verderop zat Walter op een muurtje. Laura had haar kam nog in haar hand. De piano stond stil. Zelfs het geweer keek haar aan.
Ze wilde iets zeggen. Ze wist alleen niet wat.
Walter zwaaide.
Ze zwaaide terug.
Toen pakte ze de deurklink vast en drukte hem omlaag.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Archieven

Website laten maken?

De Rebelse Huisvrouw