Veertien dagen en meer

Veertien dagen en meer

Zes maanden en dertien dagen. Zo lang was de man nu al weg. ‘In die zes maanden en dertien dagen heb ik heel wat broccoli en zalm gegeten,’ zei de vrouw tegen de man, terwijl ze haar bord op tafel zette. ‘Daar was je nooit zo dol op, weet je nog?’
‘Breek me de bek niet open,’ zei de man. ‘Je bent een leuke meid, maar de maaltijden die je me voor wilde schotelen waren erbarmelijk.’
Hij zweeg even en somde toen op: ‘Tofu met een gestoomde wortel. Tempeh met hummus. Een of andere vage linzenschotel. Goeie God. Het is eigenlijk een wonder dat ik niet eerder de pijp uitging.’

De vrouw schaterlachte. Ze dacht aan alle maaltijden die ze in de loop der jaren voor hem had gemaakt. ‘Je was inderdaad niet weg van mijn eten,’ zei ze. ‘Jij was meer van het vlees.’
‘Van goed vlees,’ corrigeerde de man. ‘Biefstukken. Ribeyes. Entrecotes. Vooral die van de slager uit Tzum. God, wat was ik blij met die man.’
De vrouw keek naar haar bord. ‘Er ligt volgens mij nog steeds vlees van hem in de vriezer,’ mompelde ze.

‘Dat kan best,’ zei de man. ‘Trouwens,’ vervolgde hij, ‘hoe gaat het eigenlijk met iedereen? Met oom H. en buuf Annie? Met vriendin M. en haar man? Met je nichtje T.? Ik hoor je nooit meer over hen, spreek je hen nog wel eens?’
‘Jawel,’ zei de vrouw. ‘Maar het is anders.’ Ze dacht even na. ‘Mijn leven is gewoon heel erg veranderd sinds jij er niet meer bent.’ Ze hoorde zichzelf en verbeterde het meteen: ‘Sinds je ergens anders bent.’ Ze kauwde gedachteloos op haar stukje gestoomde broccoli dat ineens smakeloos leek en de man was stil. Hoogstwaarschijnlijk dacht hij aan de slager uit Tzum.

Nadat ze klaar was met eten pakte ze haar jas en reed naar de Willemskade. Ze ging er regelmatig heen, op de een of andere manier vond ze het prettig daar. Dan zat ze in de auto en staarde over zee, meestal zonder te weten waar ze precies naar keek. Misschien keek ze naar niets. Misschien keek ze naar alles wat niet terugkwam, en soms, als ze daar zat, werd ze overvallen door een groot gevoel van melancholie.

‘Dat komt door de winter,’ zei ze tegen de man toen ze voelde dat hij haar bezorgd aankeek. ‘Je weet hoe slecht ik tegen dat grijze weer kan.’
‘Dan moet je weer onder die blauwe lamp gaan zitten,’ zei de man. ‘Die melancholie is nergens voor nodig.’
‘Jij hebt makkelijk praten.’
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik meen het. Met ons gaat het prima. We vermaken ons uitstekend. Zorg jij nou maar dat jij het goed blijft doen aan die kant. Dat is veel belangrijker.’
Ze glimlachte om dat ons, startte de auto en ging terug naar huis.

Eenmaal thuis schonk ze een kopje thee in en brandde een kaarsje voor haar overleden broer.
‘Hij zou vandaag jarig zijn,’ zei ze tegen de man.
‘Hij is vandaag jarig,’ zei de man. ‘En ik zei het net ook al: we vermaken ons hier prima. Dus ook deze dag gaat niet ongemerkt voorbij.’
‘Geef hem maar een knuffel van me,’ zei de vrouw.
‘Doe het zelf maar,’ zei de man. ‘Je weet heel goed hoe dat moet.’
De vrouw sloot haar ogen, stak haar handen uit en pakte in gedachten de handen van haar broer.

‘Gefeliciteerd, jongen,’ fluisterde ze.
Ze wist dat het niet kon, maar toch voelde ze een kneepje dat echt leek en haar ogen brandden opeens.
‘Er is veel meer dat blijft dan je denkt,’ zei de man troostend en de vrouw knikte, terwijl ze een slokje van haar thee nam en de lege kamer inkeek.
Het was stil in huis. Het kaarsje op tafel flakkerde. Buiten werd het al donker. Boven haar hoofd kraakte het dak, zoals het altijd deed als de temperatuur schommelde.
Ze keek naar het kleine vlammetje.
Zes maanden en dertien dagen.
Morgen zouden het er veertien zijn.

Eén reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Archieven

Website laten maken?

De Rebelse Huisvrouw