Ik Hoor Je

Ik hoor je

Honderdnegenentwintig dagen. Achttien weken en drie dagen. Zo lang was de man nu al weg. ‘Ben je de dagen aan het turven, hoe zit dat?’ vroeg de man, en de vrouw glimlachte.
‘Nee, dat niet, maar ik houd het wel een beetje bij. Ik vind het nog steeds allemaal wonderlijk.’
‘Weet je wat ik wonderlijk vind?’ zei de man, en voordat ze kon antwoorden vervolgde hij:
‘Dat er nog steeds geen nieuwe banden onder die auto zitten. Ik begrijp werkelijk niet waar je mee bezig bent. Het ergste van alles is dat…’

De vrouw deed gauw de keukenkraan open, in de hoop de rest niet te horen, maar het hielp niet.
‘Ik maak het zo snel mogelijk in orde,’ beloofde ze, en om hem af te leiden zei ze erachteraan:
‘Johan en Gerrit – onze buurmannen – hebben laatst alle bomen gesnoeid. De tuin is winterklaar.’

De man was duidelijk wat uit zijn doen, want hij zei geprikkeld:
‘Maakte je bij hen ook zo’n drama als bij mij? Ik mocht geen takje snoeien, weet je nog? Je moest en zou een ‘natuurlijke’, een ‘wilde’ tuin hebben.’ Het klonk wat smalend, maar de vrouw vond dat niet erg. Hij had nog gelijk ook.

Ze liet de kraan lopen en keek naar het water dat tegen de rand van de spoelbak tikte. Haar blik viel op een verdwaald theelepeltje dat daar lag en opeens dacht ze aan een avond, kortgeleden, toen ze met vriend A. naar een Perzisch restaurant in Leeuwarden was. Naast hen zat een stel, duidelijk op hun eerste date, en de vrouw legde gepassioneerd aan haar date uit dat ze haar lepels, vorken, messen én theelepels altijd keurig ordende in de bestekbak.
‘Wat ik níét doe, is theedoeken strijken. Mijn zus wel,’ kwaakte ze triomfantelijk.

Haar date knikte bedachtzaam. Hij leek zich af te vragen of het in dat geval niet handiger was om met die zus wat te beginnen.

Waarom de vrouw aan dat moment dacht, wist ze niet. Misschien omdat ze er zo om gelachen hadden. Later die avond, op de terugweg naar huis, schoot de gedachte door haar heen: zo voelt leven dus. Niet beter, niet slechter – gewoon weer aanwezig zijn.

Ze glimlachte bij de herinnering. ‘Leuk,’ hoorde ze de man opeens. Hij klonk niet meer geïrriteerd. ‘Ik ben blij dat je van die momenten hebt. Dat is belangrijk, weet je. Pas als je hier bent, zie je in hoe vaak mensen vergeten te léven. Te zíj́n. De meesten strompelen apathisch door hun dagen, de zinloosheid van hun bestaan negerend. Eigenlijk raar dat je eerst dood moet zijn om in te zien hoe je zou moeten leven.’

Zijn woorden bleven even hangen. ‘Binnenkort is het weer kerstmis,’ zei de vrouw. ‘Weet je dat ik vorig jaar al een paar keer dacht dat het misschien onze laatste kerst en oud & nieuw zou zijn?’

‘Ik weet het,’ zei de man zacht. ‘Het is niet zo gek dat je dat dacht. Er waren aanwijzingen genoeg dat het een en ander zou veranderen. We spraken er toen ook al over, weet je nog? Over het afscheid waarvan we voelden dat het dichterbij kwam.’
‘Dat wel,’ antwoordde de vrouw, ‘maar toch… toen het eenmaal zover was, was ik toch wel…tja. Het ging toen opeens heel snel.’

De vrouw draaide de kraan dicht. ‘Weet je,’ zei ze, ‘soms denk ik dat ik het allemaal verzin – al onze gesprekken samen.’ Ze draaide zich om en pakte de handdoek. ‘Hoe weet ik nou of ze echt zijn of niet?’

Het bleef even stil, alsof hij nadacht over zijn antwoord.
‘Maakt het wat uit?’ zei de man uiteindelijk. ‘Het belangrijkste is dat ik je hoor, elke keer weer. Dat is genoeg.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Archieven

Website laten maken?

De Rebelse Huisvrouw